
Innovatieve culi-clinische voeding in de Grieks-Romeinse medische traditie - van simplicia naar hypergepersonaliseerde iucunditas
De culi‑clinische benadering van voeding in de zorg sluit verrassend goed aan bij de manier waarop de vroegste medici — van Hippocrates tot Galenus — naar voeding en gezondheid keken. Galenus werkte met een driedeling die ook vandaag nog herkenbaar is: simplicia, de pure, enkelvoudige substanties; composita, de samengestelde bereidingen waarin meerdere simplicia nieuwe eigenschappen krijgen; en praeparata, de ingrediënten die door bewerking een andere kwaliteit verkrijgen. Deze structuur vormt een solide historische basis voor het denken over voeding als een proces van transformatie.
Maar waar Galenus vooral keek naar de werking van voeding op het lichaam, voegt de culi‑clinische benadering een vierde, cruciale dimensie toe: de ervaring van het eten zelf. Eten is de output van een complex culinair proces. Of dat eten als lekker wordt ervaren, wordt bepaald door het samenspel van lichaam en hersenen: smaakperceptie is een fysiologisch, neurologisch, ontogenetisch en fylogenetisch proces, beïnvloed door contextuele factoren — en bovendien sterk individueel.
Precies hier ontstaat de extra laag die Galenus niet benoemde, maar die in de zorg onmisbaar is: iucunditas, de aangenaamheid van voeding. In de culi‑clinische praktijk is dit geen luxe, maar een noodzakelijke voorwaarde voor voedingsinname. "Lekker" is de trekker — zonder aangename smaak, geur, textuur en context komt eten eenvoudigweg niet op gang, zeker niet bij patiënten met verstoorde eetlust of sensorische overgevoeligheid.
Je zou zelfs kunnen zeggen dat de culi‑clinische benadering een moderne, neurobiologisch onderbouwde voortzetting is van een gedachtegoed dat al bijna tweeduizend jaar oud is, maar dan uitgebreid met een dimensie die in de hedendaagse zorg essentieel is: de subjectieve, individuele perceptie van eten.
In een zorgomgeving, waar patiënten/cliënten vaak kampen met verstoorde voedingsinname, wordt die individuele variatie nog complexer. Juist daarom past de culi‑clinische benadering zo goed in de Grieks‑Romeinse medische traditie, terwijl ze er tegelijk bewust van afwijkt: voeding wordt niet alleen gezien als een materiële substantie die het lichaam beïnvloedt, maar als een dynamisch samenspel tussen de bereiding, het lichaam en de hersenen en de context — met als doel het welzijn van de patiënt te ondersteunen.
